Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX9224

Datum uitspraak2006-06-21
Datum gepubliceerd2006-06-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/580078-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Apeldoornse dealer in harddrugs veroordeeld tot deels voorwaardelijke gevangenisstraf.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Meervoudige kamer voor strafzaken Parketnummer: 06/580078-06 Uitspraak d.d.: 21 juni 2006 Tegenspraak / dip VERKORT VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [geboortedatum], wonende te [plaats], thans verblijvende in PI Arnhem – De Berg, Arnhem Noord, te Arnhem. Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juni 2006. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 10 maart 2006 in de gemeente Apeldoorn en/of de gemeente Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht aan en/of afgeleverd aan en/of verstrekt aan - [bewoner A] en/of - [bewoner B] en/of - [bewoner C] en/of - [bewoner D] en/of - [bewoner E] en/of - [bewoner F] en/of - [bewoner G] en/of - [bewoner H] en/of - [bewoner I] en/of - [bewoner J] en/of - één of meer (andere) bewoners van het Slaaphuis ([adres en plaats]), in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 2 ahf/ond B Opiumwet art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 10 maart 2006 in de gemeente Apeldoorn en/of de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht aan en/of afgeleverd aan en/of verstrekt aan - [bewoner A] en/of - [bewoner B] en/of - [bewoner C] en/of - [bewoner D] en/of - [bewoner E] en/of - [bewoner F] en/of - [bewoner G] en/of - [bewoner H] en/of - [bewoner I] en/of - [bewoner J] en/of - bewoners van het Slaaphuis ([adres en plaats]), een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op het misdrijf: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte en zijn mededaders gedurende de bewezen verklaarde periode een belangrijk verkooppunt in Apeldoorn zijn geweest van grote hoeveelheden harddrugs voor een aanzienlijk aantal afnemers. Hij heeft hierdoor direct bijgedragen aan de verslaving van die personen, als gevolg waarvan hun gezondheid ernstig in gevaar is gebracht. Verdachte heeft met zijn handelwijze ook bijgedragen aan de instandhouding van de met harddrugsverslaving gepaard gaande criminaliteit. Anderzijds houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachtes rol kleiner was dan die van zijn mededaders en dat verdachte het bewezen verklaarde heeft gepleegd om in zijn eigen verslaving te voorzien. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenis-straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. BESLISSING De rechtbank beslist als volgt. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Aldus gewezen door mrs. Elders, voorzitter, Borgerhoff Mulder en Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2006.